14 maart 2004


Stilletjes , gezeten in gedwongen rust
bestudeer ik vanachter vensterglas het nest.
Het is er al vele jaren ,die zwarte hoop,
maar toch nog steeds niet uitgeblust .

Steeds weeraan lokt het de vogels naar zich toe ,
als een leegstaand huis --de krakers.
Misschien hielden zij het altijd in het oog ,
Het hele jaar het observeren ervan niet moe.

Behendig manoeuvrerend met takkenbossen
sjouwen de ouders af en aan ,
instinctief vervullen zij de plicht <
een taak zonder woorden aan wereld in te lossen .

Het nest , gebouwd op vele lagen
zal dus een veilige haven moeten zijn
voor het kroost van het bezige ouderpaar,
daarna bezig met het vullen der kleine magen.

Zal ik dit, stil gezeten , nog wel een tijdje zien ?
Zo begerig naar de rest van hun bezige tijd .
Zij doorgaand , alles zo doordacht gepland .
Bestedend hun tijd, mijn tijd, nog eventjes misschien?


1964

De regen bevochtigt mijn gezicht en ik, eenzaam , denk, ik huil .
Overpeins de redenen van gepruil .

Een regentraan siepelt langs mijn mond en ik word treurig van verdriet .
Geen levend wezen , dat het ziet.

Nu is het echt geen regen meer maar tranen door het onbegrip,
want zie , de wereld trekt een lip .

Een lip, als bij hond in een grimmige grauw, meêlij is er niet bij,
Moeilijke tijd , ga toch voorbij .

Geen overvloed toch is mijn wens, maar liefde en een goed bestaan ,
Nu is al voorbij gegaan .

Want regen stopt, verstand keert weer , geluk is toch nog hier ,
Saâmgevat in kind en dier .


1966

Man en vrouw, een eenheid,saâmhorigheid en blijheid .
Ach zo simpel als deêz zin, wat was dat een groot gewin .
Eèn op vijf vergaat het zo, bij vier komt haat , ongenô .
Sluipend treedt hij binnen, geruisloos als van vis de vinnen ,
Pas later merkt men hem op , ,je ziet de opgeheven kop.
Te laat !Hij verdwijnt niet meer. Tevergeefs druk je hem neer.
Vanwaar is hij toch gekomen ?Wie heeft hem dan meegenomen ?
Zouden liefde en begrip hem vellen ?Of zal hij nog langer kwellen?


1972

Het is ochtend en stil om me heen .
Rustig, beter gezegd,schenkt kalmte en overweging.
Straks,de overige dag met kindergeroezemoes .
Schenkt dat kracht in veel beweging.


1978
Vragen

Wie ben jij ? Wie ben ik ?
Waren we samen ? Ik weet het niet .

Wie ben jij ? Wie ben ik ?
We kijken door ramen, in 't verschiet .

Wàt zie jij ? Wàt zie ik ?
Dènken we samen ? Ik weet het niet .


1982
Maart

Zonnestralen strelen m'n gezicht ,
liggend op de warande .
Ik doe m'n ogen dicht
en waan me aan zonnige stranden .

Ergens klinkt kindergelach .
Ze zijn meteen al buiten ,
nu het van hun moeder mag ,
Even niet achter de ruiten.

Genietend van een pril begin .
Gooi ik weg de winterbanden .
De lente ! Je zit er al in .
Ik hoef geen andere landen!!